Op 25 juni organiseerden we in het voormalige gebouw van de Amerikaanse ambassade in Den Haag, nu museum West Den Haag, het symposium ‘Maak alles van waarde weerbaar’. Tijdens het symposium verkenden sprekers vanuit wetenschap, erfgoed, overheid en toezicht hoe de erfgoedsector zich kan voorbereiden op nieuwe risico’s, zonder daarbij uit het oog te verliezen waarom erfgoed bescherming verdient.
Een gebouw dat zelf een verhaal vertelt
Marie-José Sondijker, directeur van West Den Haag, stond stil bij de bijzondere betekenis van het voormalige ambassadegebouw van architect Marcel Breuer. Waar het pand tijdens de Koude Oorlog symbool stond voor veiligheid en diplomatie, biedt het tegenwoordig ruimte aan hedendaagse kunst die maatschappelijke vraagstukken onderzoekt. Sondijker vertelde dat bezoekers zich vaak afvragen of zij het gebouw mooi of juist lelijk vinden. Juist die verwarring biedt volgens haar ruimte voor nieuwe perspectieven. Tegelijkertijd wees zij op de kwetsbaarheid van het monument zelf. Als gebruiker ervaart West Den Haag dagelijks de uitdagingen van het behoud van een naoorlogs rijksmonument dat dringend restauratie behoeft. Daarmee vormde het gebouw zelf een treffend decor voor een symposium over weerbaarheid: ook erfgoed vraagt voortdurend om aandacht, onderhoud en nieuwe betekenis.
Cultuur is geen luxe, maar een fundament
Namens de Nederlandse UNESCO Commissie plaatste Marlieies Schelhaas, secretaris-directeur van deze organisatie, het thema weerbaarheid in een internationale en historische context. Zij herinnerde eraan dat UNESCO direct na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht vanuit de overtuiging dat duurzame vrede niet alleen wordt bereikt met politieke of militaire middelen, maar ook door onderwijs, wetenschap en cultuur. “Als oorlog begint in de hoofden van mensen, moet vrede daar ook beginnen.”
Die gedachte ligt ook ten grondslag aan het Haagse Verdrag van 1954, het eerste internationale verdrag voor de bescherming van cultureel erfgoed tijdens gewapende conflicten. Volgens Schelhaas is de actualiteit daarvan groter dan ooit. De oorlog in Oekraïne en de recente aanvallen op erfgoed in Libanon laten zien dat monumenten, musea en historische locaties bewust doelwit zijn van oorlogvoering. Erfgoed vertegenwoordigt identiteit en geschiedenis en is daarmee van strategisch belang.
Schelhaas benadrukte dat bescherming niet alleen begint tijdens een crisis, maar juist in vredestijd. Zij wees op initiatieven als de jaarlijkse Actiedag Weerbaar Erfgoed, waarbij erfgoedorganisaties oefenen met crisisvoorbereiding, cyberveiligheid en calamiteitenzorg. Volgens haar is samenwerking daarbij essentieel.
Haar belangrijkste boodschap was dat cultuur en erfgoed breder moeten worden gezien dan als vrijetijdsbesteding of economische sector. “Cultuur is geen luxe, maar een fundament.” Juist omdat erfgoed mensen verbindt, identiteit geeft en het gesprek tussen samenlevingen mogelijk maakt, draagt het direct bij aan een weerbare samenleving.
Erfgoed in tijden van crisis: beschermen én blijven reflecteren
Hoe bereiden we ons voor op een onzekere toekomst, zonder te vervallen in simplistische lessen uit het verleden? Met die vraag opende Martijn Eickhoff, directeur van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, zijn key note van het symposium.
Volgens Eickhoff leven we in een tijd van ‘polycrisis’, waarin geopolitieke spanningen, oorlogsdreiging, klimaatverandering en maatschappelijke onzekerheid samenkomen. Juist daarom is het belangrijk om niet alleen na te denken over de bescherming van erfgoed, maar ook over de rol die erfgoed zelf speelt in tijden van maatschappelijke mobilisatie.
Aan de hand van voorbeelden uit de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog en de totstandkoming van het Haagse Cultuurbeschermingsverdrag uit 1954 liet hij zien dat erfgoed mensen kan verbinden en veerkracht kan geven, maar ook kan worden ingezet om tegenstellingen te versterken of groepen uit te sluiten.
Zijn belangrijkste boodschap was dan ook dat weerbaarheid meer vraagt dan beschermingsmaatregelen alleen. Erfgoedprofessionals moeten zich niet alleen voorbereiden op fysieke dreigingen, maar ook blijven reflecteren op de maatschappelijke betekenis van erfgoed en de manier waarop geschiedenis wordt gebruikt in het heden. Alleen dan kan erfgoed bijdragen aan een open, democratische en weerbare samenleving.
Mentale weerbaarheid is misschien wel de belangrijkste vorm van weerbaarheid.
Na ontvangst van de publicatie Maak alles van waarde weerbaar uit handen van voorzitter Teus Eenkhoorn sprak Christianne Mattijssen, directeur Erfgoed en Kunsten van het ministerie van OCW, haar waardering uit voor de brede invalshoeken die in de uitgave samenkomen. Vervolgens ging zij in op het belang van weerbaar erfgoed vanuit het perspectief van het rijksbeleid.
Mattijssen benadrukte dat erfgoed een belangrijke rol speelt in onze identiteit en maatschappelijke samenhang. Juist in tijden van crisis, oorlogsdreiging, klimaatverandering of andere calamiteiten laat erfgoed zien wat mensen met elkaar verbindt. Daarom zet het ministerie in op het beschermen van erfgoed en het waarborgen van de continuïteit van de publieke functie ervan.
Een belangrijk thema in haar bijdrage was zelfredzaamheid. Erfgoedinstellingen moeten zich volgens haar goed voorbereiden op uiteenlopende risico’s, zoals oorlog, brand, diefstal, cyberdreigingen en natuurrampen. Daarbij is samenwerking binnen de sector én met andere overheden essentieel.
Aan de hand van een werkbezoek aan Zweden en Finland schetste Mattijssen hoe daar mentale weerbaarheid een centrale plaats inneemt binnen de nationale veiligheidsaanpak. Volgens haar verdient ook in Nederland de culturele en maatschappelijke betekenis van erfgoed meer aandacht als onderdeel van de weerbaarheid van de samenleving.
Tot slot lichtte zij enkele initiatieven van het ministerie toe, waaronder de Taskforce Veilig Erfgoed, het programma van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gericht op kennisdeling en crisisvoorbereiding, en de jaarlijkse UNESCO-actieweek Weerbaar Erfgoed. Zij onderstreepte dat de nieuwe publicatie een waardevolle bijdrage levert aan de verdere bewustwording en samenwerking binnen de erfgoedsector.
Weerbaarheid begint vóór de crisis
“Wees voorbereid in vredestijd.” Met die oproep opende Andrea Kieskamp van Blue Shield Nederland haar bijdrage aan het symposium. Volgens haar is weerbaarheid geen onderwerp dat pas aandacht vraagt wanneer een ramp zich voordoet. Of het nu gaat om oorlog, overstromingen, brand of een cyberaanval: juist een goede voorbereiding bepaalt of erfgoed behouden kan blijven.
Blue Shield Nederland zet zich in voor de bescherming van cultureel erfgoed in tijden van crisis en stimuleert organisaties om risico’s vooraf in kaart te brengen, noodprocedures te oefenen en samen te werken met hulpdiensten en veiligheidsregio’s. De jaarlijkse Actiedag Weerbaar Erfgoed op 14 mei biedt hiervoor praktische handvatten en inspirerende voorbeelden uit de praktijk.
Aan de hand van ervaringen uit onder meer Kasteel Hoensbroek, waar na ernstige wateroverlast een uitgebreide waterchecklist werd ontwikkeld, liet Kieskamp zien hoe belangrijk het is om lessen uit incidenten om te zetten in concrete maatregelen. Ook historische richtlijnen uit de jaren dertig blijken verrassend actueel. De belangrijkste boodschap: weerbaarheid vraagt niet alleen om kennis, maar vooral om voorbereiding, samenwerking en regelmatig oefenen.
Weerbaarheid begint met weten wat je wilt beschermen
Charlotte Rixten, hoofd Academisch Erfgoed, Geschiedenis en Kunst aan de TU Delft, lichtte de ontwikkeling toe van een nieuwe risicomatrix waarmee erfgoedorganisaties zich beter kunnen voorbereiden op uiteenlopende crises. De matrix, ontwikkeld door de Taskforce Weerbare Erfgoedsector onder regie van het ministerie van OCW, sluit aan op bestaande risicoanalyses en moet organisaties helpen om weerbaarheid op een praktische en toegankelijke manier onderdeel te maken van hun dagelijkse werk.
Volgens Rixten begint een goede risicoanalyse met een ogenschijnlijk eenvoudige, maar cruciale vraag: wat wil je eigenlijk beschermen? Dat gaat niet alleen over monumenten, collecties of gebouwen, maar ook over medewerkers, vrijwilligers, kennis, processen en de maatschappelijke functie van een organisatie. Pas wanneer daar overeenstemming over bestaat, kan worden bepaald welke risico’s het grootst zijn en welke maatregelen nodig zijn.
De nieuwe matrix kijkt daarom integraal naar uiteenlopende dreigingen, zoals brand, wateroverlast, cyberaanvallen, klimaatverandering en oorlog. De oorzaak van een calamiteit is daarbij minder belangrijk dan de gevolgen. Water dat een monument binnendringt, vraagt immers om dezelfde voorbereiding, ongeacht of het wordt veroorzaakt door extreme neerslag of sabotage.
Rixten benadrukte dat weerbaarheid vooral een gezamenlijke opgave is. Erfgoedorganisaties moeten niet alleen hun eigen risico’s in kaart brengen, maar ook samenwerken met gemeenten, veiligheidsregio’s, brandweer en andere partners. Tot slot riep zij de sector op om actief mee te denken over de verdere ontwikkeling van de risicomatrix, zodat deze aansluit bij de grote diversiteit binnen het Nederlandse erfgoedveld.
Weerbaarheid is een organisatievraagstuk
Laurens Schouten, hoofdinspecteur bij de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, sloot de inhoudelijke bijdragen af met een pleidooi om weerbaarheid niet als een incidentele crisisaanpak te zien, maar als een vast onderdeel van professioneel erfgoedbeheer. Volgens hem is de vraag niet óf een organisatie met een crisis wordt geconfronteerd, maar wanneer.
Klimaatverandering, cyberdreigingen, geopolitieke ontwikkelingen en personeelstekorten hebben nu al invloed op het beheer van monumenten en collecties. Daarom moeten organisaties niet alleen nadenken over calamiteitenplannen, maar vooral over hun eigen veerkracht en continuïteit.
Schouten baseerde zijn verhaal op het rapport Weerbaarheid by Design, waarin vijf principes voor een weerbare organisatie worden onderscheiden: vooruitdenken en kwetsbaarheden kennen, zorgen voor een robuuste organisatie, samenwerken met relevante partners, investeren in zelfredzaamheid en blijven leren door te oefenen en te evalueren. Die principes sluiten volgens hem goed aan bij de opgaven waar de erfgoedsector voor staat.
Tot slot riep hij organisaties op zichzelf enkele eenvoudige maar belangrijke vragen te stellen: wie bel je als zich een calamiteit voordoet? Waar is cruciale kennis geborgd? En wie kent jouw monument of collectie nog meer? Juist de antwoorden op die vragen bepalen volgens Schouten hoe weerbaar een organisatie werkelijk is.
Panelgesprek: Wat is het waard om te behouden?
Tijdens het afsluitende panelgesprek verkenden Karel Loeff (Erfgoedvereniging Heemschut), Thijs Weststeijn (Universiteit Utrecht) en Saskia Oostveen (KIEN) een fundamentele vraag: wat maakt erfgoed eigenlijk waardevol en hoe bepaal je wat behouden moet blijven?
Volgens de sprekers draait erfgoed om veel meer dan stenen alleen. Karel Loeff benadrukte dat succesvolle erfgoedzorg begint bij lokaal draagvlak. Juist inwoners, vrijwilligers en lokale gemeenschappen geven monumenten betekenis en zorgen ervoor dat ze behouden blijven.
Thijs Weststeijn pleitte ervoor om ook het loslaten van erfgoed bespreekbaar te maken. Klimaatverandering en andere maatschappelijke ontwikkelingen vragen om nieuwe keuzes. Niet alles kan of hoeft altijd in oorspronkelijke vorm behouden te blijven; soms ligt de waarde juist in het verhaal of de betekenis die een plek vertegenwoordigt.
Saskia Oostveen bracht het perspectief van immaterieel erfgoed in. Tradities en gebruiken veranderen voortdurend en blijven juist daardoor relevant. Volgens haar vraagt ook gebouwd erfgoed om een bredere afweging, waarbij niet alleen het object centraal staat, maar ook de culturele, maatschappelijke en ecologische waarden.
De rode draad van het gesprek was duidelijk: toekomstbestendige erfgoedzorg vraagt om dialoog, samenwerking en het vermogen om verschillende waarden zorgvuldig tegen elkaar af te wegen.
Voor wie nog meer verdieping wil is er een uitgebreider verslag beschikbaar, met net iets meer inhoud dan bovenstaande samenvatting.
